Il Grand' Inquisitor

Parijs in Oxford

Met een lezing en drie recitals was het gisteren een goed gevulde dag in Oxford... een dag die ons naar Parijs en omstreken bracht.


(foto © Julien Benhamou)

De dag begon met een lezing over Pauline Viardot door Natasha Loges, die net een biografie over haar gepubliceerd heeft. Pauline Garcia, geboren in Parijs, dochter van de Spaanse operazanger Manuel Garcia en de jongere zus van Malibran, is misschien een wel van de meest Europese artiesten van de 19de eeuw. Naast haar huwelijk met Louis Viardot had ze ook een levenslange vriendschap/relatie met Ivan Tugenev. Ze was onder andere zangeres en de componiste van een groot aantal liederen in het Frans, Duits, Spaans, Italiaans en Russisch.

Ze organiseerde salons in Baden-Baden waar zowat de hele "fine fleur" van de klassieke wereld passeerde. En het is die sfeer die de bariton Thomas Dolié en pianiste Anne Le Bozec probeerden te recreëren tijdens het eerste recital van de dag. Ze brachten liederen van Viardot, afgewisseld met liederen van componisten uit haar vriendenkring zoals Clara Schumann, Liszt, Fauré, Bizet, ... alhoewel ik ook wel een heel Viardot-recital had willen horen. Haar oeuvre hoor je zo goed als nooit, en het is zo gevarieerd dat je er gemakkelijk meerdere boeiende recitals mee kan samenstellen.

Net zoals Hugo Wolf later, componeerde ze ook een aantal Mörike-Lieder. Beide componisten laten het Rösslein van Der Gärtner vrolijk in de piano dansen. De twee versies van Printemps (oftewel "Er ist's" bij Wolf) zijn ook vergelijkbaar, al horen we bij Viardot wel een mooie "Harfenton" als de lente zich aankondigt. Dolié is een uiterst expressieve zanger, die van elk lied een belevenis maakt. In Gastibelza, "l'homme à la carabine", ontpopt hij zich als een soort Escamillo die een goede diepte laat horen op het einde van elke strofe: "Le vent [...] me rendra fou". Terwijl maakt Le Bozec korte metten met de virtuoze pianopartij die Liszt erbij geschreven heeft.

Doliés stem leent zich uitermate voor de Russische liederen, waarvan we er verschillende te horen kregen, op gedichten van (uiteraard) Turgenev en Poesjkin, stuk voor stuk prachtige liederen. Maar Chanson écossaise sprong eruit omwille van de zeggingskracht van Dolié. Het is een dialoog tussen twee raven die afspreken om ergens te gaan eten... een van de twee heeft ergens een gesneuvelde ridder zien liggen. Dolié geeft elke raaf een ander stemmetje en maakt het geheel tot een Mefisto-lied. Bij Viardots Franse liederen viel Le moissonneur op. Het is een lied met een dikke pianotextuur voor een zwaaiende zeis die meedogenloos alle bloemen onthooft. We horen het lied vanuit het standpunt van de "blanche petite fleur" die zich voorbereidt op haar dood.

Een van de redenen waarom deze liederen zo zelden uitgevoerd worden, heeft te maken met beschikbaarheid. Veel liederen bestaan enkel als manuscript. Een kritische uitgave is er al helemaal niet, waardoor er ook weinig opnames van bestaan. Natasha Loges was in alle geval heel enthousiast en zou graag een project starten om alle liederen op te nemen, maar ze heeft nog geen label gevonden die dat risico wil nemen...

Het "rush hour recital" zou gezongen worden door Claire Booth, maar ze is geveld door de griep en werd vervangen door de sopraan Paula Sides. Samen met pianist Christopher Glynn bracht ze het voorziene Poulenc-programma.

Ze begonnen met de cyclus Fiançailles pour rire. In deze cyclus liet ze geen al te beste indruk na. Voor La dame d'Andrée gaat ze meteen in operamodus. Het dramatische moment van Dans l'herbe, "il est mort inaperçu en criant son passage", is vooral luid. Il vole gaat te snel, waardoor ze de helft van de woorden overslaat. Een constante zijn de uitspraakfouten die zich vooral in Mon cadavre est doux comme un gant opstapelen tot in het onverstaanbare.

Ik was halvelings van plan de Holywell Music Room te ontvluchten, vooral omdat La voix humaine zou volgen, waarin elk woord van belang is. Gelukkig ben ik gebleven, want ze gaf een indrukwekkende uitvoering van Poulencs eenakter. Ze maakte amper nog fouten tegen het Frans. Haar vertolking is doorleefd en alhoewel er een pupiter tussen haar en het publiek stond, hinderde dat haar niet om ook het theatrale karakter uit te drukken.

Het avondrecital was iets wat je niet meteen zou verwachten op een liedfestival. Naar verluidt, is het een oude droom van mezzo Katie Bray om eens een programma rond Edith Piaf te maken. Gisteren was het eindelijk zo ver. Ze trommelde een vocaal mannenkwartet op, evenals de accordeonist Murray Grainger en pianist William Vann. Het resultaat was een leuke avond... alhoewel "leuk" in het geval van Piaf misschien niet het juiste woord is.

In perfect Frans opende ze het recital met L'Accordéoniste, waarbij ze gelukkig met haar eigen stem zong en geen poging deed om het karakteristieke Piaf-geluid na te bootsen. De bariton Johnny Herford was verantwoordelijk voor verschillende arrangementen en zong het bekende Sous le ciel de Paris, terwijl de drie andere mannen een neuriënd achtergrondkoortje vormden. De bas-bariton Frederick Long kroop zelf achter de piano om Hymne à l'amour te zingen. William Morgan bracht Un refrain courait dans les rues, dat af en toe te hoog lag voor zijn tenor.

De Piaf-hits waren uiteraard ook van de partij met Milord, Padam, padam... of Non, je ne regrette rien, allemaal uitstekend vertolkt door Bray. Het hoogtepunt van de avond was het a capella gezongen laatste lied, Les trois cloches. De tenor Alessandro Fisher en Katie Bray wisselden elke strofe af terwijl het mannentrio zorgden voor het bom-bom-bom van de luidende klokken. Het bisnummer was uiteraard... La vie en rose.

Publicatie: woensdag 14 oktober 2026 om 10:04
Rubriek: Liedrecital