Simon Keenlyside in de Munt
In het voorjaar gaven Simon Keenlyside en Malcolm Martineau een liedrecital op het Liedfestival van Zeist. Hun recital gisteren in de Munt bestond grotendeels uit hetzelfde programma.

(foto © Mel Boas)
Net zoals in Zeist kregen we een Duits programma voor en een Frans na de pauze. De hoofdbrok van het eerste deel bestond uit bijna dezelfde selectie Wunderhorn-liederen van Mahler... maar als inleiding zong Keenlyside Schumanns Ballade des Harfners, wat iets minder onbekend is in Schuberts versie als "Der Sänger". Meteen krijgen we een samenvatting wat Keenlyside tot Keenlyside maakt: perfecte dictie, uitbundige expressie, of variërende stemkleuren in functie van wie aan het woord is. Maar ook al zijn veruitwendigde stress: rondlopen op de scène, talloze keren zijn bril op- en afzetten, naar het plafond kijken, ... In de Munt staan daarenboven ook altijd een paar zetels en een tafeltje met water, wat Keenlyside dan ook in zijn "choreografie" betrekt. In het eerste lied neemt hij al een glas water terwijl Martineau nog het naspel van het lied aan het spelen is.
In vergelijking met Zeist, vond ik sommige van de Strauss-liederen wel iets beter. In Waldesfahrt horen we meer een Krämerspiegel-klank, en de afgeslankte stem voor het begin van Wasserrose "zit" beter. Het voordeel van deze onmogelijke tekst is dat hij een spiekbrief nodig heeft, dichter bij zijn pupiter blijft en dus minder rondloopt.
Het Franse blok na de pauze openden ze met Le travail du peintre van Poulenc. Het is een boeiende en ook kleurrijke cyclus op gedichten van Paul Eluard die héél zelden opgevoerd wordt (ik had hem nog maar één keer eerder live gehoord). Elk gedicht is gewijd aan een schilder van een grootse Pablo Picasso, een humoristische Marc Chagall of een Paul Klee die energiek vocale verf in het rond smijt, tot de onbekendere Jacques Villon waarin we echo's van Dialogues des Carmélites horen. Keenlyside en Martineau voegen hun respectievelijke kleuren toe aan het palet. Het Poulenc-blok werd afgesloten met Hôtel en Un poème de Guillaume Apollinaire, waarvoor hij in een van die zetels ging zitten. Zeker als hij het laatste lied theatraliseert lijkt hij meer op zijn gemak te zijn. Het programma werd afgesloten met een handvol liederen van Fauré, Duparc en nog eens Poulenc, waarbij ik zijn Phidylé deze keer ook beter gestructureerd vond met een verstilde "Repose, ô Phidylé" en een goed opgebouwd robuust middendeel.
Keenlyside probeert zoveel mogelijk Engelse liederen te vermijden, maar aangezien ze het programma de titel "A Vagabond's Daydream" genoemd hadden, voelde hij zich verplicht om The vagabond als eerste bisnummer te zingen. Maar hij keerde snel terug naar het Duits repertoire en Brahms' Nachtigall, om af te sluiten met Um Mitternacht... nadat hij eerst vertelde over hoe hij als twintiger de opname van dit Mörike-Lied door Alexander Kipnis voor "The Hugo Wolf Society" gehoord had.
Publicatie: zaterdag 3 oktober 2026 om 10:23
Rubriek: Liedrecital