Il Grand' Inquisitor

Jonas Kaufmann in München

Met hun laatste maandagavondconcert heeft de Beierse Staatsopera deze week haar seizoen afgesloten. Het was tevens het eerste concert waarbij een beperkt publiek toegelaten werd op de balkons van de zaal.

Het was grotendeels een orkestraal concert, waarin chefdirigent Kirill Petrenko honderd jaar terugreisde in de tijd met, enerzijds de Kamersymfonie Nr. 1 van Schönberg en de Pulcinella-suite van Stravinsky, en anderzijds Strauss' orkestsuite "Le bourgeois gentilhomme". Tussen deze twee orkestrale blokken speelden ze Lieder eines fahrenden Gesellen in de bewerking van Schönberg, met Jonas Kaufmann als solist. Mahlers cyclus is een mini-Winterreise, waarbij Kaufmann op uitstekende wijze het traject van verloren liefde tot ultieme wanhoop uitdrukte.

In de eerste, trage strofe van Wenn mein Schatz Hochzeit macht overheerst zijn verdriet. Het troostende "Vöglein süss" kan hem nog niet overtuigen tot een positievere ingesteldheid. Kaufmann vindt een lichtere stem voor de vink in Ging heut' Morgen übers Feld, de bloemenklokjes proberen de Wanderer met meer overtuiging op te beuren. Met een slanke jongelingstem is er even een momentje van hoop als hij zich afvraagt "Guten Tag, ist's nicht eine schöne Welt?", maar met een berustende "nein, nein" wordt de overgang gemaakt naar de wanhoop van Ich hab' ein glühend Messer. Aanvankelijk is de Wanderer de wanhoop nabij, maar de herinnering aan haar "zwei blaue Augen" zingt hij met hypnotiserend mezza voce om met Wozzeckiaanse "silbern' Lachen" het ultiemen einde aan te kondigen. Die zwei blauen Augen von meinem Schatz is het aangrijpendste moment van deze uitvoering. Hij zingt met een ontroerende berusting om in de Lindenbaum-strofe afscheid te nemen van "Alles, Lieb und Leid und Welt und Traum"...

Het concert kan nog de hele maand herbekeken worden.

Publicatie: zondag 5 juli 2020 om 07:50
Rubriek: Concert