Il Grand' Inquisitor

Dag van het Lied in Zeist

Traditioneel wordt tijdens de eerste zaterdag van het Liedfestival Zeist de "Dag van het Lied" georganiseerd onder de auspiciën van de "Vrienden van het Lied". We hoorden een hele dag korte liedrecitals, afgerond met een avondrecital... dat enigszins overschaduwd werd door het nieuws dat Dame Felicity Lott die dag overleden was.

In de loop van de dag hoorde ik drie liedrecitals (allemaal op een of andere manier binnen het festivalthema "Terug naar de natuur") en een LiedLab met twee studenten van het conservatorium van Groningen. Het was een uiterst gevarieerd programma met veel componisten en liederen die ik nog nooit gehoord had.

Het ochtendrecital met de Indonesische sopraan Madeline Saputra en pianist Apollon Kalamenios is daar een goed voorbeeld van. Het programma begon met een Cypriotisch volkslied O Voskos bewerkt door de pianist van dienst. Het lied geeft een goed overzicht van de mogelijkheden van Saputra. Het begint in de hoogte waar ze een mooie zilveren sopraan laat horen, ze creëert kleur door uitdrukkelijk haar borststem te bespelen, en dat doet ze nadien nog eens letterlijk door op haar borst te kloppen, om tenslotte het lied fluisterend te beëindigen. Uit de rest van het programma blijkt dat haar stem zonder die "truken" nogal monochroom is, al slaat ze wel een melancholische toon aan in Eddig való dolgom a tavaszi szántás van Bartók.

Voor een tweede lied van Kalamenios, het Cypriotisch wiegelied Ayia Marina, moest hij de piano prepareren, waardoor een constant gezoem hoorbaar was als hij bepaalde toetsen aansloeg. De stem van de pianist kregen we ook te horen als hij Charles Ives' The Cage afsluit door de vraag "Is life anything like that?" uit te spreken. Saputra is een geconcentreerde zangeres in bijvoorbeeld de twee Copland-liederen op gedichten van Emily Dickinson, Nature, the gentlest mother en There came a wind like a bugle, of twee Messiaenliederen. Allemaal op zich heel mooi, maar op expressief vlak blijf het eentonig. Ze tuurt ook bijna constant naar de achterwand van de Broederkerk... enige poging tot contact met het publiek blijft totaal achterwege.

Het tweede recital met de Belgische sopraan Kelly Poukens en Marie François was op alle vlakken het tegenovergestelde. Terwijl het programma van Saputra vooral obscure liederen bevatte in een half dozijn verschillende talen, hadden Poukens en François een klassiek Duits programma samengesteld met liederen van Schumann, Strauss en Grieg. Interactiviteit staat ook hoog op hun agenda. Ze komen het podium op, nemen een microfoon en duiken het publiek in om aan deze en gene te vragen wanneer ze het laatst bloemen gekregen hebben of wat hun lievelingsbloem is. Het is een inleiding tot een programma met bloemenliederen dat ze "Meine Rose" genoemd hadden naar het bekende lied van Schumann.

Als intro tot Strauss' Mädchenblumen nodigden ze vrijwilligers uit om onder de piano te komen liggen om zo ook de resonantie van de piano beter te voelen en tegelijkertijd een weide van korenbloemen te creëren tijdens het eerste lied Kornblumen. Poukens heeft een unieke stem, groot en met veel metaal. Het was wel verrassend om zien dat een zangeres die zo expliciet probeert contact te maken met het publiek tijdens het zingen in de partituur duikt en zo met haar pupiter een muur optrekt tussen haarzelf en het publiek.

Maar zelfs met die partituur sluipen er toch onnauwkeurigheden in haar voordracht. Dit kwam allemaal samen in Griegs Opus 48. Trouwens, tussen deze twee recitals was er ook een meezingconcert met bariton Jan Willem Baljet en pianist Jacobus den Herder waarin iedereen onder andere lustig Griegs Zur Rosenzeit kon meebrullen. Poukens begon de zes liederen met een stralende Gruss, gevolgd door een intieme uitvoering van Dereinst Gedanke mein met een mooi slot "dann ohne Wunden und ohne Pein wirst ruhig sein". Lauf der welt werd ontsierd met slordigheden en wat weinig legato. Het was allemaal een beetje wisselvallig en chaotisch, maar desalniettemin verlaat je hun recital met het opgewekte gevoel dat je iets beleefd hebt...

Het laatste recital van de namiddag werd verzorgd door (weer) een sopraan: Henriette Feith met Maurice Lammerts van Bueren aan de piano. Zij hadden ook een origineel programma samengesteld waarbij ze een wereldreis maakten met liederen uit alle hoeken van de wereld, uitgezonderd Europa.

Ze begonnen in Canada met twee Acadische liederen van Carl Phillippe Gionet. Het eerste lied, L'escaouette, is een tongbreker die tegen sneltreinvaart voorbijflitst. Met een integere en beheerste vertolking van I Would Live In Your Love deden we de VS aan. Snake van Jake Heggie zou een cabaretlied kunnen zijn, waarbij de pianist ook zijn jazz-kwaliteiten moet bovenhalen. A Little Duck was dan weer een grappig liedje van de Australische Calvin Bowman, wat ze later als bisnummer zouden hernemen. Van hem hoorden we ook My Own Country, geïnfuseerd met een stevige dosis heimwee: "when I get to my own country I shall lie down and sleep".

Henriette Feith zingt het allemaal met trefzeker stijlgevoel, een prachtige stem en goede tekstvertolking. Maar na dit gevarieerd begin trapten ze in de liederschoonheidsval. In hun zoektocht hebben ze ongetwijfeld talloze prachtige liederen ontdekt die ze ook wilden uitvoeren. Maar het probleem is dat veel van die liederen vaak melancholisch en traag zijn. Als die dan allemaal achter elkaar geplaatst worden, dan ontstaat een zekere monotonie, terwijl afwisseling nodig is om het publiek vast te houden. Maar los daarvan, is Canção do Amor van Heitor Villa-Lobos een hartverscheurend mooi lied, of is het leuk om met het verjaardagslied Geluk van Hendrik Hofmeyr eens iets in het Afrikaans te horen.

Ik weet niet hoeveel CO2-emissierechten Feiths wereldreis zou gekost hebben, maar dat was de rode draad - de toestand van de wereld - doorheen het programma dat Graham Johnson voor het avondrecital had samengesteld. Het recital kon uiteraard niet beginnen zonder dat hij eerst een paar woorden zei over het overlijden van Felicity Lott, die meer dan vijftig jaar zijn compagnon de route geweest is, van "The Songmakers' Almanac" in de jaren '70 tot hun laatste samenwerking die ik gehoord heb in zijn Poulenc-reeks in deSingel. Het laatste volledige recital waarin ik FLott gehoord heb, was trouwens tijdens mijn eerste Zeister Liedfestival in 2017...

Graham Johnson staat bekend omwille van zijn "lecture-recitals" en hoewel het recital van gisterenavond niet echt een lezing was, valt het wel in dezelfde categorie. Hij werd daarbij vocaal begeleid door een trio van zangers: de sopraan Sarah Fox, de tenor Hugo Brady, en de bariton Armand Rabot. Ze stelden zich alledrie voor tijdens het Schubert-Lied "Ferne von der grossen Stadt", waarbij Fox de eerste en laatste strofe zong, en de twee mannen telkens afwisselend twee verzen van de tweede strofe voor hun rekening namen.

Het is het soort recitals waarbij de liederen zelf van ondergeschikter belang lijken te zijn. Johnson is vaak aan het woord, en ziet allerlei culturele en ecologische verbanden met liederen van Schubert en Fauré. Zo grijpt hij bijvoorbeeld terug naar de uitbarsting van de Indonesische Tambora-vulkaan in 1815 die tot in Schuberts Wenen voelbaar was, hij draagt het gedicht Darkness van Lord Byron voor, om tenslotte Schuberts Wehmut uit te voeren met Armand Rabot. Bij een vulkaanuitbarsting hoort een machtige stem, moet hij gedacht hebben. En dat is iets wat Rabot in overdaad heeft voor de eerste strofe, maar hij kon zijn stem toch terugbrengen naar mezza voce voor de tweede strofe. Maar het is allemaal wat overweldigend, wat passend is voor Dem Unendlichen of Die Allmacht, al is het dynamisch heen-en-weer schakelen wat lastig in dit laatste lied.

Ganymed omkaderde hij met uitspraken van Goethe en uitweidingen over het lied zelf (i.e. Ganymed is Goethe zelf die bedwelmd is door de natuur en zichzelf uitverkoren ziet door de goden), waarna een trage uitvoering volgde met Sarah Fox, die bij elk lied telkens weer wat tijd nodig had om op gang te komen. Die Sternenwelten en Die Sternennächte werd dan weer onderbroken door het gedicht "The Stars" van Longfellow. Brady zong de twee liederen met een mooie licht-lyrische tenor, maar zijn interpretatie voelt nog wat schools aan.

In het deel na de pauze schakelde Johnson over op het Franse repertoire om de vervuiling van de zee of verdwijnende bossen te illusteren. Brady lijkt zich hier meer thuis te voelen, en zingt bijvoorbeeld Faurés L'aurore in prachtig Frans. Sarah Fox klinkt nog wat onzeker in Jardin nocturne, maar herpakt zich met een mooie Paradis uit de "cosmic song cycle" zoals Johnson "La chanson d'Eve" noemde. Rabot is wel problematisch in dit repertoire met zijn onverstaanbaar Frans. Stijlloos buldert hij zich door La mer est infini of Le faune. Maar zoals gezegd, de uitvoering is in deze misschien minder belangrijk dan de boodschap: "Le temps des lilas et le temps des roses ne reviendra plus ..."

Publicatie: zondag 17 mei 2026 om 11:07
Rubriek: Liedrecital