Thomas Oliemans in Zeist
Het recital van Thomas Oliemans gisterenavond kan als een experiment geklasseerd worden... verticaal. Hij verscheen zonder pianist en begeleidde zichzelf op de piano. Een herhaling van het geniale recital met Martineau zat er niet in.

(foto © Marco Borggreve)
Dé vraag die meteen bij me opkomt, is... Waarom ? Het is niet alsof er een chronisch gebrek aan liedpianisten is. En nee, "omdat het kan" is niet het goede antwoord. Ik zie daarentegen talloze redenen om het vooral niet te doen.
Het eerste probleem is dat hij constant tegen de rechtermuur van de zaal zit te zingen, waardoor de linkse helft van het publiek een mindere ervaring kreeg. Dat hadden ze eventueel kunnen oplossen door de piano 90 graden te draaien. En omdat hij per definitie constant naar de partituur zit te kijken, is er geen enkele interactie met het publiek mogelijk. Eventuele gezichts- of andere expressies vallen weg. Alhoewel hij voor het bisnummer Nooit een acht plots wel het publiek aankeek. Ook op muzikaal vlak worden er concessies gedaan. Liedpianisten fulmineren vaak dat ze niet als begeleider willen benoemd worden (wat ik persoonlijk trouwens geen denigrerende uitdrukking vind). Maar dat is exact wat Oliemans hier doet: de nuances in de pianopartij van bijvoorbeeld een Schubertlied verdwijnen.
En natuurlijk is er heel het fysieke aspect om alles gecoördineerd te krijgen. Als je dan een lied als Auf der Bruck (waarmee zelfs echte liedpianisten soms de -euh- pedalen verliezen) op het programma ziet staan, dan weet je dat dit mis zal gaan... wat ook gebeurde... verschillende keren zelfs. Een lied als Der Musensohn wordt dan een circusnummer omdat hij ook het partituurbladeren zelf deed. Ook daar zijn oplossingen voor, hetzij het gebruik van digitale hulpmiddelen (hij gebruikte een tablet), hetzij gewoon iemand vragen om de blaadjes om te draaien. Dat is dan toch al één zorg minder.
Ik weet wel dat Schubert het vroeger ook deed. Herinner bijvoorbeeld het beroemde Winterreise-citaat "komme heute zu Schober, ich werde euch einen Zyklus schauerlicher Lieder vorsingen". Maar dat was niet in een concertzaal, maar in een salon. Ze hebben wel geprobeerd om die salonomgeving te herscheppen door wat kaarsen en een lampadaire op het podium te zetten, en zelfs wat publiek. Maar dat is slechts opsmuk om de aandacht af te leiden dat we een gecastreerd liedrecital te horen kregen.
Nu, dat neemt niet weg dat er af en toe mooie momenten waren. In Frühlingsglaube legt hij bijvoorbeeld een melancholische toon in zijn stem bij "nun muss sich Alles wenden", alsof hij goed naar de toelichting van Robert Holl geluisterd heeft. Het Pfitzner-lied Es fällt ein Stern herunter was ook een mooie ontdekking. Oliemans is zeker een verdienstelijke pianist als hij Ik haat de maan omkadert met wat Chopin. Naast verschillende andere liederen van Harry Bannink had hij ook popliederen van Randy Newman uitgekozen... best wel leuk, maar als hij dan terugkeert naar Schubert met Auf der Donau of het prachtige An den Mond in einer Herbstnacht komen we toch weer in een andere divisie terecht.
Ik hoop dat dit soort experimenten niet teveel navolging krijgt. Wat mij betreft, moeten liedpianisten voorlopig nog niet voor hun job vrezen.
Het namiddagrecital was ook een soort experiment als Noëlle Drost en Jorian van Nee hun prijs, zijnde een liedrecital, kwamen verzilveren omdat ze vorig jaar het Young Artist Platform gewonnen hadden. Hun programma was eigenlijk identiek hetzelfde als vorig jaar, wat een gemakkelijkheidsoplossing is, maar duurde wel dubbel zo lang. Ze hadden een paar liederen toegevoegd en alles ingekaderd in een theatrale context waarbij Drost ook allerlei teksten over de klimaatwijziging voorlas. Dat gebeurde met versterking terwijl Jorian van Nee voor achtergrondmuziek zorgde en boven het podium foto's van Kadir van Lohuizen geprojecteerd werden. Ook hier weer, teveel tegelijkertijd willen doen hypothekeerde de voorstelling.
Publicatie: maandag 18 mei 2026 om 09:24
Rubriek: Liedrecital