Sophie Rennert in Schwarzenberg
Het was gisteren een première voor Sophie Rennert toen ze - samen met Joseph Middleton - voor het eerst de Schubertiaanse Everest beklom... Winterreise.

(foto © Schubertiade)
Het eerste wat opvalt bij haar vertolking is dat ze Winterreise zingt - als ik dat zo mag omschrijven - zoals een man het zou zingen. Ze wordt de Wanderer met al de emoties die zij gedurende vierentwintig liederen doorloopt. Ze heeft geen achtergrondverhaaltje nodig, zoals bijvoorbeeld Joyce DiDonato, om voor zichzelf te verantwoorden waarom ze als vrouw deze cyclus zingt... die door sommigen toch nog altijd als een mannencyclus beschouwd wordt.
Het tweede dat opvalt, is dat ze heel veel ideeën heeft... en ze heeft ook de stem om die allemaal om te zetten. Maar dat maakt ook dat het een intense Winterreise is, waarin heel veel gebeurt. Ik kan me voorstellen dat ze in de toekomst wat selectiever zal worden in wat ze allemaal wil uitdrukken. Haar interpretatie valt uiteen in twee delen. In het eerste deel overheerst woede. Na Die Post komen we in een andere sfeer, eerder een van gelatenheid en berusting.
Ze begint met een opvallend rustige Gute Nacht, al horen we een zweem van sarcasme in "die Liebe liebt das Wandern", maar toch ook tederheid als ze het lied piano afsluit met "an dich hab' ich gedacht". Het contrast met Die Wetterfahne kan niet groter zijn als de verontwaardiging domineert bij "was fragen sie nach meinen Schmerzen, ihr Kind ist eine reiche Braut". Ze begint Gefrorne Tränen vanuit piano en bouwt stelselmatig op tot een fortissimo "des ganzen Winters Eis", inclusief heerlijke alttonen voor "Ei Tränen". In Erstarrung is het verdriet al geëvolueerd tot wanhoop. Ze legt in Der Lindenbaum een belangrijke nadruk op "der Hut flog mir vom Kopfe, ich wendete mich nicht", alsof ze wil zeggen dat ze zeker nooit meer terugkeert naar dit dorp... zelfs niet om haar hoed te gaan halen. Een hartverscheurende Wasserflut volgt, waarin we dezelfde verontwaardiging horen - "da ist mein Liebsten Haus" - als in Die Wetterfahne.
Met Auf dem Flusse lijken we even in de wereld van Die schöne Müllerin te komen. Als een sarcastische Müllerbursche spreekt ze de "heller, wilder Fluss" aan en horen we de pijn van de "Tag des ersten Grüsses" wat culmineert in een fortissimo uitgeschreeuwde woede op het einde. Die woede horen we terug bij Middleton in de piano-intro van Rückblick dat zo supersnel uitgevoerd wordt dat ze bijna over haar woorden struikelt. Bij een lethargische Rast begint al stilaan de overgang naar de gelatenheid. Een woelige Frühlingstraum wordt een nachtmerrie die bij momenten naar een grootse waanzinscène neigt.
Der greise Kopf is het echte kantelpunt. Ze berust in haar lot zonder geliefde, met "wie weit noch bis zur Bahre". Een quasi-gesproken "Wer glaubt's? und meiner ward es nicht..." geeft een speciale textuur aan het moment. Ze betrekt ook Die Krähe in haar lot, als ze hem smeekt "willst mich nicht verlassen". Het einde kondigt zicht aan in Letzte Hoffnung in het laatste vers "wein' auf meiner Hoffnung Grab". Na een trage en verinnerlijkte Im Dorfe is er nog een korte woedeaanval in Der stürmische Morgen, tot Middleton expliciet het doodsklokje laat luiden in Der Wegweiser. Middleton schittert ook in de intro tot Das Wirtshaus, van pianississimo tot mezzo piano en terug, om het lied af te ronden met majestueuze orgelklanken, terwijl Rennert als in trance één hypnotiserende lijn zingt. Der Leiermann klinkt verrassend hoopvol. Maar met laatste noot van "... deine Leier drehn" wordt haar stem één met de piano/draailier, wat een ambivalent einde oplevert.
Zoals gezegd, het was een uiterst extreme Winterreise, maar wel nog niet bij de beste die ik al gehoord heb (dit was trouwens mijn 60ste live-uitvoering die ik hoorde). Daarvoor moet er nog een aspect van ontroering bijkomen. Maar voor een Winterreise-debuut was het meer dan de moeite waard.
Eergisteren was er ook een gesprek met Sophie Rennert waarin ze zich zelfs liet ontvallen dat ze het ook wel ziet zitten om Die schöne Müllerin te zingen. Winterreise wordt al decennia door zangeressen gezongen, maar Müllerin lijkt nog een van de laatste taboes te zijn. Ik vraag me eigenlijk af waarom. De Müllerbursche staat nog helemaal onderaan de molenaarshiërarchie, zoals we uit Am Feierabend kunnen afleiden, en is dus hoogstens 15 jaar oud. In opera worden dat soort rollen probleemloos door mezzo's gezongen... van Cherubino en Idamante, over Siebel en Urbain, tot Hänsel en Octavian, of zelfs Orlofsky. Waarom zou dat dan plots een probleem zijn in Schubert, in tijden waarin mannelijke zangers niet langer terugdeinzen voor Wesendonck, Mädchenblumen, Mignon, of zelfs Frauenliebe ?
Publicatie: woensdag 26 augustus 2026 om 13:23
Rubriek: Liedrecital