Il Grand' Inquisitor

Konstantin Krimmel in Schwarzenberg (3/3)

Konstantin Krimmel en Ammiel Bushakevitz sloten de Schubertiade dit jaar af met hun derde optreden deze week... Schwanengesang.


(foto © Schubertiade Schwarzenberg)

Net zoals twee jaar geleden in München (toen met Martineau aan de piano) deelt hij de liederen in drie groepen in. Hij begint met de Rellstab-liederen voor de pauze en de Heine-liederen na de pauze, telkens in aangepaste volgorde die logischer is dan wat gepubliceerd werd. Tussenin zingt hij die Die Taubenpost aangevuld met vier andere Seidl-liederen.

Na zijn Müllerin en Winterreise eerder deze week, hoeft het niet te verbazen dat beide liedcycli een weerklank vonden in Schwanengesang. Vooral in de Rellstab-liederen is het verband duidelijk in Liebesbotschaft met als eerste woorden "Rauschendes Bächlein, so silber und hell" dat hij even teder en zoet benadert als in de Müllerin. In Frühlingssehnsucht laat hij ook het lot van de molenaarsknecht doorschemeren als het "Bachlein so munter" hem aanzet tot "Was ziehst du mich, sehnend verlangender Sinn. Hinab?". In Ständchen krijgen we weer een paar beperkte versieringen, net zoals in Abschied met knipoogjes naar "ihr freundlichen Mägdlein".

Maar dit lied, dat gewoonlijk een onbevangen karakter heeft, geeft Krimmel toch een donkere wending als hij "Vorüber, ach, ritt ich so manchesmal und wär' es denn heute zum letztenmal" met opvallende nadruk zingt, of naar staccato overstapt voor "Darf ich hier nicht weilen" met een klemtoon op "hier". Met In der Ferne zijn we helemaal in de wereld van Winterreise aangekomen. Elke strofe bouwt hij op van piano naar een fortissimo - "Hoffnungslos sinkender" - en legt ook zware forte-accenten in Aufenthalt. Met een hypnotiserende Kriegers Ahnung gaan we de pauze in.

Ook nu is het allemaal wat extremer dan hoe hij de liederen in München bracht, zelfs in die mate dat zijn stem soms wat begint te ontkleuren. Ik kan me echter niet ontdoen van het gevoel dat hij zich met zijn forte-zingen wil revancheren op de critici die zijn stem niet voldoende groot vonden voor zijn Don Giovanni in München een maand geleden.

Voor het Seidl-intermezzo spant hij een boog van Sehnsucht naar een vergelijkbaar Sehnsucht-gevoel van Die Taubenpost. Hij bezingt uitbundig zijn liefde in Bei Dir allein, zwerft "heimatlos" als Der Wanderer an den Mond, en hoort al Das Zügenglöcklein. Het was trouwens opvallend hoe hij de duif van Die Taubenpost op dezelfde manier aanspreekt als de verschillende beekjes.

De Heine-liederen begint hij met Das Fischermädchen. Alles lijkt nog peis en vree, tot de donkere en dreigende piano-akkoorden van Am Meer onheil aankondigen... "mich hat das unglücksel'ge Weib vergiftet mit ihren Tränen". Vanaf dan gaat het ene lied naadloos over in het volgende. Ihr Bild en Die Stadt voelen Leiermann-achtig aan, een intense Der Doppelgänger sluit het middendeel af. Voor Der Atlas trekt hij een blik sarcasme open.

Deze keer geen staande ovatie, maar wel één bisnummer... de Senn-Schwanengesang, waarbij Bushakevitz in het naspel nog even de intro van Liebesbotschaft in herinnering brengt.

Publicatie: zondag 31 augustus 2025 om 19:22
Rubriek: Liedrecital